Wat basistermen: woorden & zinnen…

Hoe stel je een vraag?
Hoe zeg je …? Come si dice …?
Hoe? Come?
Omdat! Perché
Voorbeelden Esempi
Waar? Dove?
Waarheen? Dove?
Waarom? Perché?
Wanneer? Quando?
Wat is dit? Che cosa è?
Wat is dit? Che cos’è questo?
Wat is uw stoel? Qual è la tua sedia?
Wat, welke? (meervoud) Quale?
Wat? Che?
Wie, welke? Cosa?
Wie? Chi?
Welk beroep heb jij?
Acteur L’attore
Actrice L’attrice
Advocaat L’avvocato
Ambtenaar Il funzionario
Architect L’architetto
Bakker Il fornaio
Banketbakker Il pasticcere
Bewaker La guardia giurata
Bloemist Il fiorista
Boer L’agricoltore
Dierenarts Il veterinario
Directeur Il direttore
Dokter/arts Il medico
Fotograaf Il fotografo
Fysiotherapeut Il fisioterapista
Journalist Il giornalista
Kapper Il barbiere
Kok Il cuoco
Kunstenaar L’artista
Leraar/lerares L’insegnante
Loodgieter L’idraulico
Makelaar Il broker
Manager Il manager, il direttore
Militair Il soldato, i militari
Notaris Il notaio
Piloot Il pilota
Pizzabakker Il pizzaiolo
Politicus Il politico
Politieagent Il poliziotto
Postbode Il postino
Psycholoog Lo psicologo
Slager Il macellaio
Tandarts Il dentista
Timmerman Il carpentiere, il falegname
Verkoper Il venditore
Verpleegkundige L’infermiera
Getallen en jaartallen
Getal Italiaans Nederlands
0 zero nul
1 uno één
2 due twee
3 tre drie
4 quattro vier
5 cinque vijf
6 sei zes
7 sette zeven
8 otto acht
9 nove negen
10 dieci tien
11 undici elf
12 dodici twaalf
13 tredici dertien
14 quattordici veertien
15 quindici vijftien
16 sedici zestien
17 diciassette zeventien
18 diciotto achttien
19 diciannove negentien
20 venti twintig
21 ventuno eenentwintig
22 ventidue tweeëntwintig
23 ventitré drieëntwintig
24 ventiquattro vierentwintig
25 venticinque vijfentwintig
26 ventisei zesentwintig
27 ventisette zevenentwintig
28 ventotto achtentwintig
29 ventinove negenentwintig
30 trenta dertig
40 quaranta veertig
50 cinquanta vijftig
60 sessanta zestig
70 settanta zeventig
80 ottanta tachtig
90 novanta negentig
100 cento honderd

 

Getal Italiaans
100 cento
200 duecento
300 trecento
400 quattrocento
500 cinquecento
600 seicento
700 settecento
800 ottocento
900 novecento
1000 mille
2000 duemila
3000 tremila
4000 quattromila
5000 cinquemila
Getal Italiaans
6000 seimila
7000 settemila
8000 ottomila
9000 novemila
10000 diecimila
Jaartal Italiaans
1950 millenovecentocinquanta
1953 millenovecentocinquantatré
1978 millenovecentosettantotto
1996 millenovecentonovantasei
2024 duemilaventiquattro
Hoe begroet je elkaar?
Aangenaam Piacere
Aangenaam kennis te maken Lieto di conoscerla
Dit is Giovanni Questo e Giovanni
Dit is Rosa Questa e Rosa
Erg goed, dank u Molto bene, grazie
Goedemiddag, goedenavond Buonasera
Goedenacht, welterusten Buonanotte
Goedendag, goedemorgen Buon giorno / Buongiorno
Hallo / Dag Ciao / Salve
Het gaat wel Abbastanza bene
Hij heet Giovanni Lui si chiama Giovanni
Hoe gaat het met u/jou? Come Sta/stai?
Hoe gaat het? Alles goed? Tutto a posto? Va bene?
Hoe heet u? Come si chiama?
Ik ben Gianni Sono Gianni
Ik heet Gianni Mi chiamo Gianni
Luister! Senta! / Ascolta!
Redelijk goed Abbastanza bene
Slecht Va male
Tot gauw, tot snel A presto
Tot ziens, tot later Arrivederci / A dopo / A più tardi
Wat goed zeg! Che bello
Zij heet Rosa Lei si chiama Rosa